Cao in de Metalektro 2015-2018

Partijen en uitgangspunten

1. de Vereniging FME-CWM, ondernemersorganisatie voor de technologische industrie, gevestigd te Zoetermeer, hierna te noemen werkgeversvakvereniging of w.v., die handelt voor en namens die leden van de w.v. van wie de onderneming valt resp. zal vallen onder de omschrijving van de werkingssfeer in bijlage A behorend bij artikel 1.2 van deze collectieve arbeidsovereenkomst (cao),

en

2. de Vereniging FNV, gevestigd te Amsterdam,

3. de Vereniging CNV Vakmensen.nl, gevestigd te Utrecht,

4. de Vereniging De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening, gevestigd te Culemborg,

de verenigingen 2 t/m 4 hierna gezamenlijk te noemen de werknemersvakverenigingen of v.v., is de navolgende cao gesloten.

    A. Partijen geven hierna een toelichting op het karakter van deze cao en een aantal regels voor het behoud van het karakter en de juiste werking van deze cao.

    1. De w.v. en de v.v. hebben deze cao gesloten om een bijdrage te leveren aan het bevorderen van goede sociale verhoudingen in de Metalektro, aan het bevorderen van het welzijn van de werknemers in de onderneming en aan het verhogen van de productie en productiviteit in deze bedrijfstak.

    2. Partijen zijn zich ervan bewust dat een groot aantal zaken die de arbeidsverhoudingen betreffen niet in de cao, maar op ondernemingsniveau geregeld worden. Afhankelijk van het onderwerp zal dat tussen directie en v.v. of ondernemingsraad of door de directie zelf geregeld worden.

    3. In dit verband erkennen zij wederzijds taak en functie van de ondernemingsleiding en van de v.v.. Aan de ene kant erkennen de v.v. dat in de huidige maatschappijstructuur alleen de ondernemingsleiding tot taak heeft het ondernemingsbeleid te bepalen en de verantwoordelijkheid draagt voor de realisering daarvan. Aan de andere kant erkennen de w.v. en de leden van de w.v. de v.v. als zelfstandige belangenbehartigers van hun leden, zowel op individueel als collectief niveau.

    De (leden van de) w.v. erkennen dat v.v. hun taak alleen goed kunnen vervullen wanneer zij zo goed mogelijk op de hoogte zijn van datgene wat binnen de onderneming plaats heeft, waarbij genoemde belangen betrokken zijn, en zij een goed contact met hun leden in de onderneming kunnen houden. Daarom zullen de leden van de w.v. de v.v. zo goed mogelijk op de hoogte houden van zaken die voor hun leden van belang zijn.

    4. Om de bedoelingen van deze cao te realiseren is tijdig en te goeder trouw overleg essentieel.

    5. Partijen hebben in de cao een bemiddelingsprocedure opgenomen voor het geval het niet lukt door goed overleg tot eenheid van opvatting te komen. Het is de bedoeling van partijen dat van deze procedure bij hoge uitzondering gebruik wordt gemaakt.

    6. Partijen bevelen aan om in overleg met de ondernemingsraad een klachtenregeling op te stellen en daarin op te nemen dat de werknemer zich kan laten bijstaan door een door hem gekozen persoon. Na afhandeling van de klacht binnen de onderneming staat de weg via de v.v. nog open.

    7. Partijen wijzen discriminatie bij tewerkstelling af en zijn bereid zich in te zetten voor de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het arbeidsproces.
    Deelname van vrouwen aan opleidingen zal worden bevorderd. Periodiek zal de voortgang bij het scheppen van gelijke kansen door cao-partijen worden besproken.

      8. Partijen onderschrijven dat vrouwen en mannen met hetzelfde voor de functie relevante niveau van opleiding en ervaring bij het vervullen van dezelfde functie gelijk moeten worden beloond.

      B. Partijen vinden het belangrijk dat aandacht wordt besteed aan zowel kwalitatieve als kwantitatieve aspecten van de werkgelegenheid in de bedrijfstak tegen de achtergrond van de economische situatie.

      1. Op bedrijfstakniveau (in de ROM) zal overleg worden gevoerd over voor de bedrijfstak of de belangrijkste sectoren daarvan van belang zijnde onderwerpen. Met de binnen de bedrijfstak werkzame opleidingsorganen zal worden overlegd over de opstelling van scholingsprogramma’s gericht op moeilijk vervulbare vacatures en moeilijk plaatsbare werknemers.

      2. Om de kwantitatieve en kwalitatieve instroom te stimuleren, worden binnen de Metalektro leerlingen met een leerarbeidsovereenkomst (beroepsbegeleidende leerweg, BBL) opgeleid. Onderdeel van de opleiding is een praktijkdeel. Dat deel moet goed aansluiten op de eisen die aan de leerling in de praktijk zullen worden gesteld. Het spreekt voor zich dat het praktijkdeel niet bedoeld is om fluctuaties in het werkaanbod op te vangen.

      3. Op ondernemingsniveau kunnen v.v. en de ondernemingsleiding overleg voeren over alle aspecten van de werkgelegenheid.

      4. Partijen zullen de grootst mogelijke aandacht en medewerking geven aan het bevorderen van de productiviteit, wanneer dit in de onderneming ter sprake wordt gebracht.

      5. Partijen bevelen aan in de onderneming extra aandacht te geven aan het ontwikkelen van een integraal ouderenbeleid en aan de problemen van gehandicapten en buitenlandse werknemers.

      6. Partijen zetten zich in voor het bevorderen van de toepassing van arbeidsvoorwaarden à la carte in de onderneming.

      7. Partijen bevelen werkgevers en werknemers aan te doen wat in hun vermogen ligt om conflictsituaties over gewetensbezwaren te voorkomen, onder meer door zo spoedig mogelijk, nadat de werknemer de gewetensbezwarende situatie kenbaar heeft gemaakt, met elkaar in overleg te treden.

        C. Partijen zien het verzuim wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid als een blijvend punt van zorg. Zij zijn van mening dat het verzuim dat voortvloeit uit het werk in eerste instantie op het niveau van de onderneming moet worden aangepakt. Zij bevelen daartoe aan binnen de onderneming een preventief beleid te ontwikkelen.

        D. Partijen bevelen aan een intern milieuzorgsysteem in te voeren.

        E. Partijen bevelen aan om op ondernemingsniveau tot een regeling te komen om ongewenst gedrag tegen te gaan.

        F. Partijen hebben het Integraal Systeem van Functiewaardering (ISF) ter vervanging van de functielijst met ingang van 1 januari 2008 in deze cao opgenomen.

        Partijen zijn het eens omtrent een aantal toelichtingen en aanbevelingen behorende bij deze cao. De teksten van deze toelichtingen en aanbevelingen zijn opgenomen onder de artikelen waarop zij betrekking hebben. 

        Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

        Artikel 1.1 – Definities / Definities

        In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

        1. “Werknemer”: degene die een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7: 610 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, dan wel, al dan niet als thuiswerker, – anders dan in de zelfstandige uitoefening van een bedrijf of beroep – in aangenomen werk persoonlijk arbeid verricht.

        2. “Werkgever”: de natuurlijke of rechtspersoon voor wie een werknemer als bedoeld in lid 1 arbeid pleegt te verrichten.

        3. “W.v.”: de werkgeversvakvereniging, genoemd in de aanhef van deze overeenkomst.

        4. “V.v.”: de werknemersvakverenigingen, genoemd in de aanhef van deze overeenkomst.

        5. “Raad van Overleg in de Metalektro”: de Stichting Raad van Overleg in de Metalektro (ROM) gevestigd te ‘s-Gravenhage. De Raad van Overleg is gerechtigd tot de taken die hem krachtens deze overeenkomst zijn opgedragen.

        6. “Loonsom Wfsv”: het totaal van het loon als omschreven in artikel 16 Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

        7. “Feestdagen”: Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag en de Nationale Feestdag (27 april).

        8. “De Basis Jaarlijkse Arbeidsduur (BJA)”: het saldo van het aantal dagen in een kalenderjaar verminderd met:

        -  het aantal zaterdagen en zondagen in dat jaar,

        -  de vakantiedagen als bedoeld in art. 5.3 eerste, tweede en derde volzin van deze cao,

        -  de feestdagen die niet op zaterdag of zondag vallen,

        -  13 roostervrije dagen (104 vrije roosteruren), vermenigvuldigd met 8 uren.1

        De BJA bedraagt in 2015: 1720 uur. De BJA bedraagt in 2016: 1720 uur. De BJA bedraagt in 2017: 1712 uur. De BJA bedraagt in 2018: 1712 uur.

        In afwijking van het hiervoor vermelde bedraagt de BJA voor de werknemer op wie de overgangsregeling extra vakantie voor senioren als bedoeld in artikel 5.5 van deze cao zoals dat geldt vanaf 1 januari 2009, van toepassing is in 2015 1736 uur, in 2016 1736 uur, in 2017 1728 uur en in 2018 1728 uur.

        9. “Voltijd”: een/het aantal te werken uren (op kalenderjaarbasis) gelijk aan de BJA.

        10. “Deeltijd”:een/het aantal te werken uren(op kalenderjaarbasis)minder dan de BJA.

        11.“Dienstrooster”: het voor de werknemer vastgestelde rooster van werktijden en rusttijden,vrije roosteruren en vakantietijden.

        12. “Normale werkdag”: de volgens het vastgestelde rooster door de werknemer op een kalenderdag te werken uren.

        13. “Vrijeroosteruren”: uren waarop de werkgever de werknemer binnen het dienst­rooster vrijstelt van dienst.

        14. “Meeruren”: de gewerkte uren die de werknemer in opdracht van de werkgever heeft gewerkt boven de BJA.

        15. “Overuren”: de gewerkte uren die de werknemer in opdracht van de werkgever heeft gewerkt

        - boven het aantal te werken uren volgens dagrooster voor zover het aantal gewerkte uren het aantal van 8 te boven gaat;

        - op feestdagen of op roostervrije zaterdagen en zondagen.

        De zon- en feestdagen worden geacht te duren van middernacht tot middernacht.

        16. “Afwijkende werktijd”: een andere werktijd op een kalenderdag dan de werktijd welke voor de betreffende werknemers als normale werkdag is vastgesteld maar waarbij het aantal uren volgens het rooster van die dag niet wordt overschreden.

        17. “Ploegendienst”: het verrichten van arbeid in een systeem waarin de werktijden van twee of meer groepen werknemers op elkaar aansluiten of uitsluitend ten behoeve van het overdragen van de werkzaamheden elkaar in geringe mate overlappen. Hierbij zal door de betrokken werknemer in regelmaat (bijvoorbeeld wekelijks) gedurende een langere termijn van dienst worden gewisseld.

        18. “Functiejaren”: de hele jaren gedurende welke de werknemer werkzaam is geweest in de salarisgroep, waarin hij is ingedeeld te rekenen vanaf het tijdstip waarop hij de voor die salarisgroep geldende minimum leeftijd heeft bereikt of, indien dit op hogere leeftijd het geval is, vanaf het tijdstip waarop hij is ingedeeld in die salarisgroep.
        Onder functiejaren worden mede begrepen:

        -  de fictieve jaren welke de werkgever aan de werknemer heeft toegekend bij invoering van een salarissysteem in de onderneming;

        -  de fictieve jaren welke de werkgever aan de werknemer heeft toegekend op grond van zijn vroegere werkzaamheden in een lagere

        salarisgroep in dezelfde onderneming, waarbij de hoogte van het salaris in een lagere salarisgroep mede bepalend is;

        -  de fictieve jaren welke de werkgever aan een werknemer bij indiensttreding toekent op grond van zijn ervaring in een andere onderneming.

        19. “Salaris”: het tussen werkgever en werknemer overeengekomen periodiek te betalen bedrag als vaste beloning voor de werkzaamheden in de door werknemer uitgeoefende functie.

        20. “Jaarsalaris”: het tussen werkgever en werknemer overeengekomen periodiek te betalen salaris berekend op jaarbasis.

        21. “Oververdienste”: hetgeen een werknemer eventueel uit hoofde van een beloningssysteem per periode verdient boven zijn voor dezelfde periode overeengekomen salaris.
        Hieronder vallen derhalve niet vakantietoeslag, winstdeling, gratificatie en andere eindejaarsuitkeringen, alsmede overwerk- , ploegen-, arbeidsomstandigheden- en andere inconveniëntentoeslagen.

        22. “Beloningssysteem”: een systeem waarbij de wijze van taakvervulling (individueel, groepsgewijs of collectief) wordt vastgesteld volgens één of meer kwantificeerbare factoren, of volgens een samenstel van factoren waarvan de meeste resp. de belangrijkste kwantificeerbaar zijn (prestatiebelonings- resp. prestatiebeoordelingssystemen). Bij deze systemen zijn fluctuaties mogelijk.

        23. “Jaarverdienste”: het jaarsalaris vermeerderd met de vaste oververdienste, of ingeval van fluctuerende oververdienste de gemiddelde oververdienste van de werknemer in het laatst verstreken kalenderjaar. De jaarverdienste heeft betrekking op het in het kalenderjaar door de werknemer te werken aantal uren, de in lid 7 van dit artikel bedoelde feestdagen, alsmede de voor hem geldende vrije roosteruren en vakantie.

        24. “Maandverdienste”:het twaalfde deel van de jaarverdienste.

        25. “Uurverdienste”:0,58%van de maandverdienste. 

          Artikel 1.2 – Werkingssfeer

          1. De bepalingen betreffende de werkingssfeer zijn opgenomen in bijlage A. Deze bijlage maakt een geïntegreerd onderdeel uit van deze cao. Een onderneming die activiteiten verricht als beschreven in bijlage A valt volgens die bijlage onder de werkingssfeer als in hoofdzaak Metalektro-activiteiten worden verricht.

          2. Of in hoofdzaak activiteiten binnen de Metalektro worden verricht, wordt bepaald aan de hand van het aantal arbeidsuren dat door werknemers van de onderneming aan die activiteiten wordt besteed. Van “in hoofdzaak” is sprake als dat gewoonlijk meer dan 50% is van de in de onderneming met de werknemers overeengekomen arbeidsuren.

            3. Tot de Metalektro-activiteiten behoren zowel de specifieke activiteiten genoemd in bijlage A als werkzaamheden van werknemers die, in een al dan niet ondersteunende functie - waartoe mede wordt verstaan werknemers in de ‘overhead’ -, werkzaam zijn ten behoeve van die specifieke activiteiten.

            4. Voor zover werknemers al dan niet in een ondersteunende functie - waartoe mede wordt verstaan werknemers in de ‘overhead’ - werkzaam zijn zowel ten behoeve van de Metalektro-activiteiten als ten behoeve van andere ondernemingsactiviteiten, wordt het aantal arbeidsuren van deze werknemers naar evenredigheid toegerekend aan de verschillende activiteiten van de onderneming. 

            Artikel 1.3 – Geen nawerking eerdere collectieve arbeidsovereenkomsten

            Rechten voortvloeiend uit bepalingen van eerdere collectieve arbeidsovereenkomsten komen met de inwerkintreding van deze cao te vervallen. In plaats daarvan gelden de rechten voortvloeiend uit de bepalingen van deze cao. De huidige cao heeft, voor zover deze mindere aanspraken geeft, voorrang op de voorgaande cao(en) 

            Artikel 1.4 – Gunstiger en andere bepalingen / Flexibilisering

            1. De werkgever kan in voor werknemers gunstige zin van bepalingen van deze overeenkomst afwijken.

            2. De werkgever kan niet in voor werknemers ongunstige zin van bepalingen van deze overeenkomst afwijken.

            3. De werkgever zal in zijn onderneming geldende arbeidsvoorwaarden, die voor alle of één of meer groepen van werknemers in gunstige zin van bepalingen van deze overeenkomst afwijken, niet in ongunstige zin wijzigen dan na voorafgaand overleg met de ondernemingsraad en de v.v.

            Toelichting bij lid 3:
            Dit lid heeft betrekking op de overlegprocedure bij voorgenomen wijzigingen in arbeidsvoorwaarden voor groepen werknemers.
            Daarnaast zijn ook op de arbeidsovereenkomsten de algemene bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zoals genoemd in de artikelen 6: 248 en 6: 258.

            4. De werkgever die om belangrijke redenen zoals de continuïteit van de onderneming en/of de daarmee verband houdende werkgelegenheid in zijn onderneming voor alle of één of meer groepen van werknemers wenst af te wijken van het gestelde in lid 2 van dit artikel, kan daartoe overgaan indien daarover op ondernemingsniveau overeenstemming is bereikt met v.v. en w.v. Het resultaat van dit overleg dient te worden gemeld aan de ROM. Voor zover en voor zolang bij de aldus overeengekomen regeling is afgeweken van cao-bepalingen, gelden deze cao-bepalingen niet.

            De werkgever stelt de betrokken werknemers schriftelijk in kennis van de met v.v. overeengekomen regeling. De werkgever informeert de betrokken werknemers over de bepalingen van deze cao waarvan wordt afgeweken, vanaf wanneer wordt afgeweken en voor hoelang.

            5. De op basis van dit artikel van een vorige cao overeengekomen regeling(en) blijft resp. blijven van kracht, ook na wijziging(en) van de cao bepaling(en) waarvan bij die regeling(en) is afgeweken, zulks met inachtneming van de bij die regeling(en) overeengekomen looptijd. 

              Artikel 1.5 – MetalektroB-CAO

              1. Bij of krachtens een cao met bij deze overeenkomst betrokken vakverenigingen kan worden afgeweken van de B-bepalingen in deze overeenkomst. Die cao wordt hierna aangeduid als “MetalektroB-CAO”, afgekort “MB-CAO”. Van de A-bepalingen in deze cao kan bij MB-CAO slechts in voor werknemers gunstige zin worden
              afgeweken.

              2. Een bij deze overeenkomst betrokken vakvereniging kan er van afzien betrokken te zijn bij het overeenkomen van de in het vorige lid bedoelde MB-CAO.

              3. Voor zover bij MB-CAO is afgeweken van de B-bepalingen in deze overeenkomst, gelden deze niet voor de betrokken werkgever(s) en zijn (hun) werknemers vanaf het moment waarop de desbetreffende MB-CAO van kracht is geworden.

              4. Wordt na afloop van een MB-CAO geen nieuwe MB-CAO afgesloten, dan worden de B-bepalingen van deze overeenkomst voor zover daarvan bij MB-CAO was afgeweken van kracht een jaar nadat de looptijd van de MB-CAO is verstreken, tenzij partijen bij de MB-CAO anders overeenkomen.

              5. In een MB-CAO kan worden bepaald wat de consequenties zijn van wijzigingen in B-bepalingen van deze cao voor de lopende MB-CAO.

              6. De op basis van dit artikel van een vorige cao overeengekomen MB-CAO blijft van kracht, ook na wijziging(en) van de cao bepaling(en) waarvan bij die MB-CAO is afgeweken, zulks met inachtneming van de bij die MB-CAO overeengekomen looptijd en het bepaalde in lid 4 en lid 5.

              7. De werkgever stelt de betrokken werknemers schriftelijk in kennis van de gesloten MB-CAO, van de bepaling(en) van deze overeenkomst waarop de afwijking betrekking heeft, van de ingangsdatum en van de duur van de MB-CAO.

              8. Partijen bij de in lid 1 bedoelde MB-CAO melden de MB-CAO aan bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zenden een exemplaar ter informatie aan de Raad van Overleg in de Metalektro. 

                Artikel 1.6 – Deeltijd

                1. De bepalingen in deze cao gaan uit van werknemers die in voltijd (voltijders) werkzaam zijn. Voor werknemers in deeltijd (deeltijders) gelden de in deze overeenkomst opgenomen arbeidsvoorwaarden naar evenredigheid van het aantal door de deeltijder gewerkte uren.*) Het bepaalde in de vorige zin geldt niet voor de artikelen 6.1 (kort verzuim), 6.3 (vakbondsverlof), 8.1 (karweiwerkzaamheden) en 8.2 (reis- en verblijfkosten).

                *) Werkt de deeltijder in opdracht van de werkgever meer uren dan met hem overeengekomen, dan verdient hij tot aan de BJA over de extra gewerkte uren:

                • -  naar evenredigheid vakantie en vrije roosteruren, en

                • -  vakantietoeslag ter hoogte van 8% van de uurverdienste.
                  Ook moet de werkgever hem over deze extra gewerkte uren een bedrag ter grootte van het werkgeversaandeel van de pensioenpremie ter beschikking stellen.

                2. In overleg tussen werkgever en werknemer kan de aanspraak van de deeltijder op extra opgebouwde vakantie en vrije roosteruren in verband met door hem gewerkte uren boven het contractueel overeengekomen aantal uren, geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een aanspraak van de werknemer op vergoeding in geld. 

                Hoofdstuk 2- Begin en einde van de arbeidsovereenkomst

                Artikel 2.1 – Aanstelling

                1. Een arbeidsovereenkomst kan worden aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd.

                2. Een proeftijd wordt op straffe van nietigheid schriftelijk overeengekomen.

                3. De werkgever bevestigt schriftelijk aan de werknemer het aangaan van de arbeidsovereenkomst binnen een maand na de aanvang van de werkzaamheden. In deze bevestiging of de schriftelijke arbeidsovereenkomst staan ten minste de volgende gegevens:

                Wijzigingen zullen ook schriftelijk worden bevestigd. 

                a. naam en woonplaats van de partijen;

                b. de plaats of de plaatsen waar de arbeid wordt verricht;

                c. de functie van de werknemer;

                d. het tijdstip van indiensttreding;

                e. indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten: de duur van de overeenkomst;

                f. de arbeidsduur;

                g. het aantal vrije roosteruren en het aantal vakantiedagen; 

                h. de duur van de door partijen in acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening van deze termijnen;

                i. de salarisgroep dan wel werkklasse;

                j. het aantal toegekende functiejaren;

                k. indien van toepassing: de nevencode;

                l. de maand-, periode- of weekverdienste;

                m. of de werknemer gaat deelnemen aan een pensioenregeling;

                n. de toepasselijke cao.

                Wijzigingen zullen ook schriftelijk worden bevestigd. 

                Artikel 2.2 – Voorafgaande uitzendrelaties

                In afwijking van het bepaalde in artikel 7: 668a B.W. geldt ten aanzien van de perioden waarin een werknemer, voorafgaan- de aan zijn indiensttreding bij de werkgever, als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, dat deze als één arbeidsover- eenkomst voor bepaalde tijd worden meegerekend, indien en voor zover die periode uitsluitend onderbroken is als gevolg van arbeidsongeschiktheid van de uitzendkracht en een daarmee samenhangende beëindiging van de arbeidsovereen- komst met het uitzendbureau, met dien verstande dat de tijdstermijn van artikel 7: 668a B.W. (zijnde twee jaar) niet over- schreden wordt c.q. doortelt. 

                Artikel 2.3 – Einde van de arbeidsovereenkomst

                1. Opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst gebeurt schriftelijk en zodanig dat de arbeidsovereenkomst eindigt aan het einde van de kalendermaand.

                Toelichting bij lid 1:
                Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (1 januari 1999) 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelf- de werkgever in dienst blijft.

                2. Bij het bereiken door de werknemer van de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW) eindigt de dienstbetrekking zonder dat opzegging nodig is. 

                Artikel 2.4 – Verrekening vakantiedagen en vrije roosteruren

                Bij het einde van het dienstverband worden de te veel of te weinig genoten vakantiedagen en vrije roosteruren verrekend in tijd dan wel in geld. 

                Hoofdstuk 3 - Arbeidsduur en werktijden

                Artikel 3.1 – Aanpassing van het aantal roostervrije uren

                Het aantal vrije roosteruren bedraagt per kalenderjaar 104.

                De werkgever kan in afwijking van het vorige lid in overleg met de ondernemingsraad voor de gehele onderneming, één of meer afdelingen of één of meer groepen werknemers het aantal roostervrije uren voor een kalenderjaar vaststellen op een lager aantal dan 104 uren (13 dagen) tot en met het minimum van 0 uren. Gaat de werkgever daartoe over, dan wordt het feitelijk salaris van de desbetreffende werknemers voor dat kalenderjaar verhoogd met 0,383% voor elke roos- tervrije dag (8 uren) die de werkgever lager vaststelt dan het aantal van 13 roostervrije dagen (104 uren) per 1 januari van dat kalenderjaar.

                De werkgever stelt de desbetreffende werknemers uiterlijk in de maand november voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar in kennis van een besluit als bedoeld in lid 2.

                Het besluit als bedoeld in lid 2 geldt niet voor de werknemer die binnen 3 weken na de kennisgeving van dat besluit aan de werkgever schriftelijk meedeelt, dat hij recht wil blijven houden op 104 vrije roosteruren.

                Toelichting:
                Over de verhoging voor een bepaald kalenderjaar verdient de werknemer vakantietoeslag, indien van toepassing ploegentoeslag, en moet pensioenpremie worden betaald. 

                Artikel 3.2 – Aanpassing van de individuele arbeidsduur

                1. De werknemer heeft op grond van de Wet flexibel werken (Wfw)*) en op de wijze als daar is bepaald recht op verminde- ring van de arbeidsduur. De werknemer kan in afwijking van de Wfw op dit recht ook een beroep doen:

                • -  vanaf de datum van indiensttreding,

                • -  indien de werkgever minder dan 10 werknemers heeft.

                *) Informatie over de Wet flexibel werken (Wfw) is opgenomen op de website van de ROM: www.caometalektro.nl

                2. De werknemer heeft in afwijking van artikel 2 Wfw alleen recht op vermeerdering van de arbeidsduur in overleg met de werkgever.

                Stemt de werkgever niet in met een vermeerdering van de arbeidsduur, dan moet hij dat schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer meedelen. 

                Artikel 3.3 – Vrije dagen

                1. De werkgever biedt aan de werknemer op diens verzoek de mogelijkheid om door het inzetten van daarvoor beschikba- re vrije vakantie- en roostervrije uren, vrije meeruren en/of vrije overuren tijdelijk vier dagen per week te werken bij een voltijds dienstverband. De werkgever hoeft dat niet te doen indien het bedrijfsbelang zich daartegen verzet. De werkge- ver zal bij afwijzing van een verzoek om tijdelijk vier dagen per week te werken zijn beslissing binnen vier weken aan de werknemer inhoudelijk gemotiveerd bekend maken.

                2. De werkgever en werknemer maken in goed overleg nadere afspraken over het verzoek van de werknemer om vier dagen te werken.

                3. Het bepaalde in lid 1 kan nader worden uitgewerkt in een ondernemingsregeling.

                Toelichting:
                Voorbeelden van beschikbare vrije uren zijn de seniorendagen en gespaarde vakantiedagen uit afgelopen jaren.
                Voorbeelden van niet beschikbare vrije uren zijn: al vastgestelde uren, de in een rooster (bijv. ploegendienst) opgenomen uren, collectieve vakantie- en roostervrije uren, de jaarlijkse individuele aaneengesloten vakantie en urenbanken die met de ondernemingsraad of de vak- bonden tot stand zijn gekomen. 

                Artikel 3.4 – Aanpassing arbeidsduur in de werktijdregeling

                De werkgever die van plan is de arbeidsduur per dag in de werktijdregeling te vermeerderen tot boven de 8,5 uur pleegt hierover overleg met de v.v. 

                Artikel 3.5 – Arbeidstijdenwet (ATW)

                Indien de werkgever een werktijdregeling wil gaan invoeren die niet past binnen de normen van de overlegregeling van de tot 1 november 2007 geldende Arbeidstijdenwet en de normen van de op deze wet gebaseerde Arbeidstijdenbesluiten, dan dient hij daarover overeenstemming te bereiken met de bij deze cao betrokken vakverenigingen. 

                Artikel 3.6 – Uitgangspunten vaststelling dienstrooster / Uitgangspunten vaststelling dienstrooster

                1. De werkgever vermijdt bij het vaststellen van het dienstrooster en het opdragen van bijzondere werkzaamheden zoveel mogelijk het werken op zaterdag en zondag en op feestdagen (zie art. 1.1 lid 7). Ten aanzien van de werknemer in ploegendienst is daaraan voldaan, indien de werknemer gedurende een etmaal dat ten minste over achttien achtereen- volgende uren samenvalt met de feestdag, niet heeft gewerkt.

                2. De werkgever zal bij het opnieuw vaststellen van de begin- en eindtijden in de dienstroosters voor de dagdiensten op maandag tot en met vrijdag in beginsel de aanvangstijd niet stellen voor 07.00 uur en de eindtijd niet na 19.00 uur. 

                Artikel 3.7 – Vaststelling dienstrooster

                1. De werkgever stelt na overleg met de werknemer het voor hem geldende dienstrooster vast.

                2. Ten minste veertien kalenderdagen voor het in werking treden stelt de werkgever de werknemer in kennis van het voor hem geldende dienstrooster. De werkgever kan met de ondernemingsraad een andere termijn overeenkomen. 

                Artikel 3.8 – Vaststelling vrije roosteruren

                1. Vrije roosteruren worden verdiend in evenredigheid met de duur van de arbeidsovereenkomst gedurende het kalender- jaar.

                2. De vrije roosteruren worden in de vorm van halve diensten volgens het rooster aangewezen. De werkgever kan hiervan op grond van bedrijfseconomische, organisatorische en/of arbeidsmarkttechnische redenen afwijken.

                3. De werkgever stelt na overleg met de werknemer de voor hem geldende vrije roosteruren vast.

                4. Ten minste veertien kalenderdagen voor het in werking treden van het rooster stelt de werkgever de werknemer van de voor hem geldende vrije roosteruren in kennis. De werkgever kan met de ondernemingsraad een andere termijn over- eenkomen.

                5. De werkgever mag na overleg met de ondernemingsraad 24 vrije roosteruren, geldend voor alle of nagenoeg alle werk- nemers gezamenlijk, aanwijzen. Voor het aanwijzen van meer vrije roosteruren voor alle of nagenoeg alle werknemers gezamenlijk is de instemming van de ondernemingsraad vereist. Voordat de ondernemingsraad daaraan zijn instem- ming verleent zal hij de medewerkers raadplegen. Deze laatste verplichting geldt niet voor het vaststellen van de collec- tief aaneengesloten vakantie.

                6. De instemming van de ondernemingsraad is nodig voor wijziging van de in de onderneming gebruikelijke vorm waarin de vrije roosteruren worden aangewezen of de in de onderneming gebruikelijke verdeling van de vrije roosteruren over het jaar, indien de wijziging de gehele onderneming of een afdeling betreft.

                7. In afwijking van de leden 4, 5 en 6 is de instemming van de ondernemingsraad niet nodig, indien werkzaamheden bui- ten eigen bedrijf moeten worden verricht en op de werkplek de werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd als ge- volg van een aldaar geldende regeling van collectief vrijaf. De werkgever zal in dat geval eerst de 24 vrije roosteruren als bedoeld in lid 5 daarvoor gebruiken.

                8. Andere afwijkingen van de aanwijzing van vrije roosteruren in de vorm van halve diensten volgens het rooster dan als bedoeld in de leden 6 en 7 vinden plaats na overleg met betrokkene(n).

                Toelichting:
                Bij arbeidsongeschiktheid op vastgestelde roostervrije dagdelen bestaat geen recht op vervangende vrije roostertijd. 

                Artikel 3.9 – Overwerk*)

                1. De werkgever stelt de ondernemingsraad van een opdracht tot overwerk – zo mogelijk voor de aanvang hiervan – in kennis. 

                2. a. Heeft de werkgever het in het vorige lid bepaalde in acht genomen, dan is de werknemer verplicht over te werken, tenzij:

                - hij jonger dan 18 jaar is of 56 jaar of ouder;

                - en voor zover hem is opgedragen over te werken op een dag waarop hij een kortere arbeidsduur heeft dan die van werknemers in vergelijkbare functies;

                - hij wegens zijn gezondheid niet in staat is over te werken. Bij verschil van mening over de medische geschiktheid van de werknemer tot het verrichten van overwerk moet de werknemer, zo mogelijk met inschakeling van de bedrijfsarts, een medische verklaring overleggen.

                2. b. De werknemer die vanaf 1 januari 2017 de leeftijd van 56 jaar bereikt kan door de werkgever verplicht worden maximaal 5 uur overwerk te verrichten per 4 weken.
                Deze verplichting geldt niet voor overwerk in nachtdienst.

                2. c.De verplichting tot overwerk geldt niet voor de werknemer die voor 1 januari 2017 al 55 jaar of ouder was.

                3. Begint het overwerk voor of op middernacht en:

                -  is die dag de normale werktijd gewerkt of

                -  is die dag een zon- of feestdag, dan behoeft het werk niet eerder dan elf uren na het beëindigen van het overwerk te worden hervat. Deze elf uren kun- nen éénmaal per periode van 7 x 24 uur, worden ingekort tot acht uren. Voor zover deze uren vallen binnen de normale werkdag worden zij als gewerkte uren beschouwd.

                4. Bij het opdragen van overwerk houdt de werkgever ernstig rekening met de voor de werknemer op grond van zijn geloof van belang zijnde wekelijkse rustdag en godsdienstige feestdagen.

                5. De werkgever zal met de v.v. overleg plegen over het overwerk, indien de v.v. de wens daartoe te kennen geven.

                 

                De werkgever wordt aanbevolen:

                1. Overwerk waar mogelijk te beperken.

                2. Bij lid 2: om wanneer een werknemer aantoont dat persoonlijke omstandigheden resp. zijn gezinssituatie het verrichten van overwerk extra bezwaarlijk maken, hiermee ernstig rekening te houden.

                3. Bij lid 4: overwerk op zaterdagen en zon- en feestdagen te vermijden.

                *) Bij wijziging van de werktijdregeling is artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden van toepassing. 

                Artikel 3.10 – Ploegendienst

                1. De werkgever stelt voor de gehele onderneming of één of meerdere afdelingen geen voor de onderneming nieuwe ploegendienst in dan nadat de v.v. daarmee hebben ingestemd. 

                2. Wordt een ploegendienst ingesteld, dan is de werknemer verplicht in ploegen te werken, tenzij:

                -  hij 55 jaar of ouder is en vanaf zijn 50ste jaar niet in ploegen heeft gewerkt,

                -  hij daartoe wegens zijn gezondheid niet in staat is. Bij verschil van mening over de medische geschiktheid van de werknemer moet, zo mogelijk met inschakeling van de bedrijfsarts, de werknemer een medische verklaring overleggen.*)

                *) De werkgever wordt aanbevolen om wanneer een werknemer aantoont dat persoonlijke omstandigheden resp. zijn gezinssituatie het verrichten van ploegendienst extra bezwaarlijk maken, hiermee ernstig rekening te houden.

                3. De werkgever zal met de ondernemingsraad een plan opstellen om naar mate de werknemers ouder worden de belasting van werken in een nachtploegendienst te verminderen.**) De werkgever is niet verplicht de belasting te verminde- ren, indien dat in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. ***)

                **) De werkgever kan de belasting verminderen door bijvoorbeeld het aantal nachtploegendiensten te verlagen.

                ***) In dat kader vinden partijen het van belang om overwerk in nachtploegendiensten beperkt te houden. Daarbij wordt onderkend dat overwerk nodig kan zijn voor bijvoorbeeld het overdragen van werkzaamheden in verband met calamiteiten. 

                Artikel 3.11 – Consignatiedienst*)**) 

                1. Een werkgever stelt geen consignatiedienst in dan nadat hij hiervoor in overleg met de v.v. of de ondernemingsraad een regeling heeft getroffen. In deze regeling moeten afspraken staan over vergoeding voor reiskosten en telefoonkosten en over de vergoeding per etmaal. Ook zal in de regeling een afspraak moeten staan over de te hanteren rusttijd indien een werknemer in consignatie heeft moeten werken in de uren gelegen tussen 0.00 uur en 5.00 uur.

                2. De bepalingen uit deze cao inzake overwerk en meeruren zijn op de consignatiedienst van toepassing.

                  *) De werkgever wordt aanbevolen om

                  • in een regeling voor een consignatiedienst een afspraak te maken over vergoeding in geld en/of tijd van reisuren;
                  • de rusttijd na een oproep tussen 00.00 en 06.00 uur direct na de oproep te laten plaatsvinden of binnen de kaders van de Arbeidstijdenwet afspraken te hebben die rekening houden met de belasting die consignatie voor werknemers betekent;
                  • een bestaande regeling voor consignatie regelmatig te evalueren en aan te passen aan veranderde omstandigheden.

                  **) De wettelijke bepalingen die in geval van consignatie van toepassing zijn, zijn opgenomen op de website van de ROM: www.caometalektro.nl 

                  Artikel 3.12 – Opleidingsdagen

                   

                  1. De werknemer heeft elk kalenderjaar recht op 2 opleidingsdagen (16 uren).

                  2. Opleidingsdagen (-uren) worden verdiend in evenredigheid met de duur van de arbeidsovereenkomst gedurende het kalenderjaar.

                  3. Opleidingsdagen (-uren) hoeven niet direct in het betreffende kalenderjaar te worden genoten. Het aantal opleidingsda- gen (-uren) in het lopende en de niet genoten opleidingsdagen (-uren) in voorafgaande kalenderjaren kan echter niet meer zijn dan 5 dagen (40 uren). Meerdere niet genoten opleidingsdagen vervallen.*)
                  Werkgever en werknemer kunnen afspreken dat de opleidingsdagen (-uren) op een later moment vervallen.

                  *)Voorbeeld: de werknemer heeft de opleidingsdagen van 2015 en 2016, samen 4 dagen, in die jaren niet opgenomen. In 2017 komen daar 2 opleidingsdagen bij en zou zijn totaal op 6 opleidingsdagen komen, 1 meer dan het toegestane maximum van 5. Daarom vervalt in 2017 1 dag als de werknemer niet tijdig zijn opleidingsdagen geniet.

                  4. De werknemer kiest in overleg met de werkgever voor welke opleiding hij opleidingsdagen zal gebruiken.

                  5. De werkgever en de werknemer stellen in goed overleg de dagen (uren) vast waarop de werknemer de opleiding op een opleidingsdag zal volgen.

                  Toelichting:
                  Mocht de werknemer op problemen stuiten bij het gebruik maken van zijn recht op opleidingsdagen, dan kan hij dat ter behandeling melden bij de ROM. Meer informatie is te vinden op de website van de ROM: www.caometalektro.nl 

                  Artikel 3.13 – Studiekostenregeling

                  De werkgever stelt een studiekostenregeling vast voor het na 31 december 2008 volgen van een opleiding. 

                  Artikel 3.14 – EVC (Erkenning van Verworven Competenties)

                  De werknemer heeft vanaf 1 januari 2008 eenmaal in elke periode van vijf kalenderjaren recht op het door de werkgever vergoeden van gemaakte kosten voor een EVC-test tot een bedrag van ten hoogste € 850 bruto. 

                  Artikel 3.15 – Tijdsparen

                  1. De werknemer heeft het recht in het kader van de mogelijkheid tot individueel sparen, na overleg met de werkgever, maximaal 12 roostervrije dagdelen te kapitaliseren en aan te wenden voor de (vroeg)pensioenvoorziening.

                  2. Het recht van de werknemer als bedoeld in lid 1 is afwezig of beperkt tot minder dan 12 roostervrije dagdelen indien en voor zover de werkgever conform artikel 3.8 lid 5 alle of méér dan veertien roostervrije dagdelen voor alle of nagenoeg alle werknemers, waaronder de werknemer, gezamenlijk, heeft aangewezen.

                  3. Het recht van de werknemer als bedoeld in lid 1 is eveneens afwezig of beperkt tot minder dan 12 roostervrije dagdelen indien en voor zover de werkgever conform artikel 3.8 lid 6 alle of méér dan veertien roostervrije dagdelen voor de ge- hele onderneming of een afdeling, waaronder de werknemer, in een andere vorm dan bedoeld in artikel 3.8 lid 2, aan- wendt.

                  4. Het recht van de werknemer als bedoeld in lid 1 is eveneens afwezig of beperkt tot minder dan 12 roostervrije dagdelen indien en voor zover, ondanks het gestelde in de leden 2 en 3, redelijkerwijs niet van de werkgever gevergd kan worden dat hij dat recht toekent. Is de werkgever dat van oordeel, dan zal hij dat schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer meedelen. 

                  Artikel 3.16 – Tijd verkopen of sparen

                  1. Op verzoek van de werknemer kunnen werkgever en werknemer afspreken dat de werknemer bovenwettelijke vakan- tiedagen tot een maximum van 6 dagen per jaar kan verkopen voor andere specifieke doeleinden dan de (vroeg)pensioenvoorziening of een tijdspaarregeling.

                  2. De werknemer kan bovenwettelijke vakantiedagen sparen tot een maximum van 13 maal de overeengekomen arbeids- duur per week. Die gespaarde vakantiedagen verjaren niet. 

                  Artikel 3.17 – Tijdspaarregeling

                  1. In de onderneming kan in overleg tussen de v.v. en/of de ondernemingsraad en de werkgever een tijdspaarregeling worden ingesteld. Bronnen hiervoor zijn: vrije roostertijd, bovenwettelijke vakantiedagen en overuren.

                  2. Binnen het kader van een tijdspaarregeling kunnen werkgever en werknemer afspreken dat de werknemer meer dan 6 bovenwettelijke vakantiedagen per jaar kan sparen in de vorm van tijd of geld.

                  3. Deelname aan de tijdspaarregeling is voor de werknemer vrijwillig met dien verstande dat de bepalingen in deze cao met betrekking tot het vaststellen van roostervrije uren, vakantie en overuren dan van toepassing blijven.

                  4. Gaat de werkgever over tot het instellen van een tijdspaarregeling, dan moet hij zekerheid stellen bijvoorbeeld door middel van het oprichten van een fonds en/of herverzekering.

                  5. De aanspraak van de werknemer op de in het kader van een tijdspaarregeling gespaarde vrije uren verjaart niet. 

                  Artikel 3.18 – Kopen van dagen

                  De werknemer heeft het recht tot het kopen van maximaal tien dagen verlof per jaar. De werknemer kan dit verlof genieten na overleg met de werkgever. 

                  Hoofdstuk 4 - Salarisbepalingen

                  Artikel 4.1 – Salarisgroepen

                  1. Elke functie die in een onderneming wordt uitgeoefend, wordt ingedeeld in één van de salarisgroepen A t/m K met be- hulp van een vorm van functieclassificatie.

                  2. De werkgever kan voor het invoeren van een vorm van functieclassificatie kiezen uit ISF of een in bijlage G van deze cao opgenomen systeem van functieclassificatie dan wel daarvan afgeleid instrument. Maakt de werkgever geen keuze, dan is hij verplicht ISF in te voeren.

                  3. Indien de werkgever een andere vorm van functieclassificatie invoert dan een in het vorige lid vermelde vorm van func- tieclassificatie, dan moet hij zijn keuze ter goedkeuring voorleggen aan de Raad van Overleg in de Metalektro (ROM). De ROM brengt binnen een maand na ontvangst van het verzoek tot goedkeuring zijn beslissing schriftelijk ter kennis van de werkgever. 

                  Artikel 4.2 – Andere vormen van functieclassificatie dan ISF

                  1. Bij invoering van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF: - stelt de werkgever een klachtenprocedure in die gelijkwaardig is aan de in artikel IV van Bijlage F opgenomen klach- tenprocedure, en - geeft de werkgever de werknemer voorlichting over: taak en verantwoordelijkheid van de systeemhouder, doel en werking van de gekozen vorm van functieclassificatie en de beroepsprocedure.

                  2. Indien bij invoering van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF de som van de maandverdienste en de ar- beidsomstandighedentoeslag minder bedraagt dan de som van de oorspronkelijke maandverdienste en een eventuele toeslag voor bezwarende arbeidsomstandigheden, zal de laatst vermelde som worden gegarandeerd.

                  3. In afwijking van lid 2 zal voor werknemers van 55 jaar en ouder de oorspronkelijke maandverdienste, vermeerderd met een eventuele toeslag voor bezwarende omstandigheden, worden aangepast aan de algemene salarismutaties over- eengekomen bij de cao.

                  4. Indien bij de invoering van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF en zolang het functiesalaris minder be- draagt dan het oorspronkelijke salaris zal voor de vaststelling van de aan het salaris gekoppelde arbeidsvoorwaarden worden uitgegaan van het oorspronkelijke salaris.

                  5. Wordt als gevolg van de toepassing van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF een salarissysteem ingevoerd resp. gewijzigd, dan zal dit in overleg tussen werkgever, v.v. en w.v. plaatsvinden.

                  Artikel 4.3 – Indeling van de functies in de onderneming

                  1. De werkgever legt de functies met hun salarisgroepindeling vast in een eigen lijst van de onderneming.*)

                  2. De indeling van de functies zal plaatsvinden nadat door de systeemhouder de door de onderneming vastgestelde functielijst*) is goedgekeurd.

                  3. Nadat de functielijst van de onderneming door de systeemhouder is goedgekeurd deelt de werkgever de in de onder- neming voorkomende functies in salarisgroepen in na overleg met de ondernemingsraad.

                  *) Deze lijst kan zijn een lijst met alle functies, een lijst met functiereeksen of een lijst met voorbeeldfuncties (sleutelfuncties), met indeling in salarisgroepen.

                  Artikel 4.4 – Indeling van de werknemers

                  1. De werkgever deelt de werknemers in op grond van de door hen uitgeoefende functies in de salarisgroepen A t/m K.

                  2. In plaats van indeling op basis van de uitgeoefende functies kan bij jeugdige werknemers de indeling ook plaatsvinden in de salarisgroepen I t/m IV op basis van het opleidingsniveau:

                  in salarisgroep I: werknemers van 15 t/m 20 jaar;

                  in salarisgroep II: werknemers van 18 t/m 22 jaar;

                  in salarisgroep III: werknemers van 18 t/m 22 jaar;

                  in salarisgroep IV: werknemers van 21 t/m 22 jaar,

                   

                  waarbij onder opleidingsniveau wordt verstaan een niveau:

                  voor I: minder dan de niveaus genoemd onder II;

                  voor II: v(m)bo/mavo; 

                  voor III: mbo resp. v(m)bo/mavo + specialistische opleiding van min. 1 jaar (b.v. praktijkdiploma boek- houden of Nederlandse handelscorrespondentie + handelscorrespondentie in één der moderne talen);

                  voor IV: hbo resp. havo + S.P.D. I en II, havo + m.o. (b.v. boekhouden of handelswetenschappen of moderne taal).

                  3. De werkgever kan, in afwijking van het gestelde in lid 1 en 2, werknemers die in het kader van het werkervaringsproject een werkervaringsplaats vervullen of deelnemen aan een ander arbeidsmarktproject, nadat daarover met de v.v. over- eenstemming is bereikt, gedurende een periode van 1 jaar indelen in een opstapsalarisgroep.

                  4. De werkgever verstrekt de werknemer, naast de schriftelijke bevestiging als bedoeld in artikel 2.1, de functieomschrij- ving of de motivering van de indeling. Bij wijziging zal een nieuwe schriftelijke verklaring worden verstrekt.

                  5. Klachten van werknemers met betrekking tot hun indeling dienen te worden behandeld volgens een in de onderneming aan te geven beroepsmogelijkheid (zie ook bijlage F).

                  Artikel 4.5 – Salariëring / Salariëring

                   

                  1. De werkgever komt met de werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdoms- wet (AOW) nog niet heeft bereikt een salaris overeen, dat ten minste gelijk is aan de persoonlijk minimum maandver- dienste welke in dit artikel is vastgesteld, rekening houdende met: - de salarisgroep waarin hij is ingedeeld; - zijn leeftijd resp. het hem toegekende aantal functiejaren.

                  2. Het persoonlijk minimumsalaris bij 0 functiejaren zal ten minste worden toegekend in de salarisgroepen A tot en met H op 23-jarige leeftijd, òf, indien dit op hogere leeftijd het geval is, vanaf het tijdstip van indeling in de desbetreffende salarisgroep. In de salarisgroepen J en K zal het persoonlijk minimumsalaris gelden bij 0 functiejaren vanaf het tijdstip van indeling ongeacht de leeftijd.

                  3. Het persoonlijk minimum functiesalaris behorende bij het hieronder vermelde maximum aantal functiejaren per salaris- groep dient ten minste te worden toegekend aan de werknemers ingedeeld in:

                  salarisgroep A bij 1 functiejaar;

                  salarisgroep B bij 2 functiejaren;

                  salarisgroep C bij 3 functiejaren;

                  salarisgroep D bij 4 functiejaren;

                  salarisgroep E bij 5 functiejaren;

                  salarisgroep F bij 6 functiejaren;

                  salarisgroep G bij 7 functiejaren;

                  salarisgroep H bij 8 functiejaren;

                  salarisgroep J bij 9 functiejaren;

                  salarisgroep K bij 10 functiejaren. 

                  4. Voor werknemers jonger dan de in lid 2 vermelde leeftijden zal bij voltijdarbeid ten minste een persoonlijk minimum maandverdienste gelden*)

                   

                  *) Bij deze bepaling wordt aangetekend dat de maandverdienste moet voldoen aan de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. 

                  5. Voor de werknemer die valt onder de doelgroep loonkostensubsidie Participatiewet gelden de volgende bepalingen:

                  In de onderneming wordt bepaald wat de werknemer die behoort tot deze doelgroep binnen de reikwijdte van 100%-

                  120% WML*) kan verdienen.

                  De in sub a bedoelde werknemer die in een in de onderneming ingedeelde functie volledig vervult, stroomt door naar

                  de reguliere salaristabellen. Voor niet binnen de onderneming ingedeelde functies die wel volledig worden vervuld, wordt binnen de onderneming een passend salaris vastgesteld.

                    *) Het wettelijk minimumloon (WML) voor werknemers van 23 jaar en ouder bij een volledig dienstverband is opgenomen op de website van de ROM: www.caometalektro.nl

                    6. Voor werknemers in de opstapsalarisgroep geldt het wettelijk minimum(jeugd)loon.

                    7. Voor de werknemer die geregeld verschillende functies uitoefent geldt, indien deze functies niet in dezelfde salarisgroep zijn ingedeeld, de persoonlijke minimum maandverdienste van de salarisgroep waarin de functie die het hoogst is ge- waardeerd is ingedeeld.

                    Algemene toelichting bij artikel 4.5 lid 8: Bij of krachtens MB-CAO kan:

                    - worden afgeweken van de systematiek van een hogere minimum persoonlijke maandverdienste bij meer functiejaren volgens onderstaande tabel. Wordt alleen afgeweken van deze systematiek en worden de 10 salaris- groepen van onderstaande tabel gehandhaafd, dan zullen het laagste en het hoogste bedrag van de persoonlij- ke minimum maandverdienste in elk van de 10 salarisgroepen dienen te worden gerespecteerd;

                    - (ook) worden afgeweken van de indeling van 10 salarisgroepen. Voor de overeen te komen salarisverhoudingen geldt dan dat het laagste en het hoogste bedrag van de overeen te komen salarisgroepen worden bepaald in verhouding tot het laagste en het hoogste bedrag van de salarisgroepen in onderstaande tabel.

                    Hoofdstuk 5 - Vakantie

                    Artikel 5.1 – Omschrijving

                    1. Als vakantie worden beschouwd de dagen, welke door de werkgever als zodanig met inachtneming van artikel 5.7 zijn vastgesteld.

                    2. Als vakantie worden niet beschouwd:

                    1. de feestdagen genoemd in artikel 1.1 lid 7;
                    2. de dagen of gedeelten van dagen, gedurende welke de werknemer wegens arbeidsongeschiktheid de bedongen arbeid niet verricht. Dit geldt niet voor de (gedeelten van) dagen die zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de tweede volzin van artikel 5.7 lid 2a en evenmin voor de (gedeelten van) collectieve vakantiedag(en) waarop de arbeidsongeschikte werknemer vrij wilde zijn van zijn re-integratieverplichtingen;
                    3. de dagen of gedeelten van dagen, gedurende welke de werknemer wegens andere omstandigheden, genoemd in hoofdstuk 6 (verzuim), de bedongen arbeid niet verricht;
                    4. de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet verricht omdat hij, anders dan voor eerste oefening en zonder het oogmerk de krijgsdienst of andere overheidsdienst bij wijze van beroep te verrichten, een verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet, of voortvloeiend uit een verbintenis door hem jegens de Overheid aangegaan en ten aanzien van ‘s lands verdediging of ter bescherming van de openbare orde;
                    5. de tijd gedurende welke de vrouwelijke werknemer de bedongen arbeid niet verricht wegens zwangerschap of bevalling;
                    6. de tijd gedurende welke de jeugdige werknemer geen arbeid verricht omdat hij onderricht volgt, waartoe hij krachtens de wet of deze overeenkomst door de werkgever in de gelegenheid wordt gesteld.

                    3. De werknemer die tijdens voor hem vastgestelde vakantie arbeidsongeschikt wordt, zal dit onverwijld op de voorge- schreven wijze melden. Indien de werkgever loon doorbetaalt in verband met ziekte gelden de dagen van arbeidsongeschiktheid niet als vakan- tie.

                    4. Wanneer de werknemer tijdens voor hem vastgestelde vakantie in omstandigheden verkeert als bedoeld in lid 2 onder c t/m f, gelden deze dagen slechts dan niet als vakantie indien de werkgever vóór de aanvang van de vakantie van deze omstandigheden op de hoogte is.

                    Hoofdstuk 6 - Verzuim

                    Artikel 6.1 – Kort verzuim

                    1. Aan de werknemer, voor wie wegens bijzondere omstandigheden (kort) verzuim binnen de arbeidstijd noodzakelijk is, wordt dit toegestaan voor zover dit in de onderneming gebruikelijk is.

                    2. Bij zodanig verzuim wordt het salaris doorbetaald in de hieronder opgenomen gevallen tot de daarbij vermelde duur: 

                    a. over 4 dagen:

                    bij overlijden van de levenspartner;

                    bij overlijden van een inwonend kind;

                    b. over 2 dagen:

                    bij het huwelijk van de werknemer of

                    bij het aangaan van een notariële samenlevingsovereenkomst of

                    voor registratie van het partnerschap;

                    bij het overlijden van een niet inwonend kind;

                    bij het overlijden van een van de ouders;

                    c. over 1 dag:  

                    bij bevalling van de levenspartner*);

                    bij adoptie van een kind;

                    bij 25- of 40-jarig huwelijk van de werknemer;

                    bij huwelijk van een kind;

                    bij overlijden of voor het bijwonen van de begrafenis van:

                    één van de grootouders van de werknemer of van de levenspartner;

                    een zuster en/of haar levenspartner;

                    een broer en/of zijn levenspartner;

                    één van de ouders van de levenspartner;

                    een zuster van de levenspartner;

                    een broer van de levenspartner;

                    de levenspartner van een kind;

                    een kleinkind; bij keuring voor de militaire dienst;

                    *) Naast het kort verzuim bij de bevalling van de levenspartner heeft de werknemer recht op kraamverlof op grond van wetgeving.

                    d. over ten hoogste 1 dag in totaal per kalenderjaar:

                    bij het huwelijk van een broer, zuster of kleinkind, professie van een kind, broer of zuster, priesterwijding van een kind of broer;

                    e. over een naar redelijkheid te bepalentijd tot ten hoogste 1 dag:  

                    bij de vervulling van een bij wettelijk voorschrift of door de overheid opgelegde verplichting, welke persoonlijk moet worden nagekomen, voor zover hiervoor van de overheid geen geldelijke vergoeding kan worden verkregen; voor het doen van een vakexamen ter verkrijging van een erkend diploma, indien dit in het belang van het bedrijf is;

                    bij ondertrouw.

                    3. Onder levenspartner als bedoeld in lid 2 wordt verstaan de echtgeno(o)t(e) dan wel hij of zij met wie de werknemer respectievelijk een kind van de werknemer een duurzame levensrelatie onderhoudt en die tevoren als zodanig bij de werkgever bekend is gemaakt door de werknemer.

                    4. Over eventuele afwijking van de in lid 2 genoemde gevallen, bijvoorbeeld op grond van regionale of plaatselijke gebrui- ken, zal in de onderneming overleg worden gepleegd.

                    5. Voor verzuim in verband met bezoek aan huisarts, tandarts, specialist of in verband met nabehandeling na ziekte, dient in de onderneming een regeling te worden getroffen.

                    Hoofdstuk 7 - Pensioenregeling

                    Artikel 7.1 – Bedrijfstakpensioenfonds

                    Deelneming in de pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds van de Metalektro (PME) is verplicht gesteld, behoudens in geval van verleende vrijstelling.

                    Hoofdstuk 8 - Karweiwerk

                    Artikel 8.1 – Karweiwerkzaamheden

                    1. De werknemer die voorheen af en toe karweiwerkzaamheden diende te verrichten, kan na het bereiken van de 56-jarige leeftijd daartoe niet meer worden verplicht. Dit geldt ook voor de werknemer die voor 1 januari 2017 reeds 55 jaar of ouder was. Indien een werknemer binnen Nederland, Duitsland, België of Luxemburg karweiwerkzaamheden voor de onderneming uitvoert buiten de fabrieksterreinen van de onderneming of buiten de terreinen van het karweiwerk waarvoor hij is aangesteld en hij als gevolg daarvan noodzakelijkerwijze langer moet reizen, wordt deze extra reistijd aan hem vergoed, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel. Voor karweiwerkzaamheden in andere landen dan de in de vorige volzin vermelde landen, moet de werkgever in overleg met de v.v. of de ondernemingsraad een regeling treffen.

                    2. a. De reistijd wordt als volgt berekend:

                    - bij gebruikmaking van openbare middelen van vervoer: de reistijd tussen het tijdstip van vertrek van het station (stopplaats) van de woonplaats van de werknemer en het tijdstip van aankomst bij het karweiterrein en omgekeerd, een en ander volgens de dienstregeling van het openbaar vervoer;

                    - bij gebruikmaking van andere vervoermiddelen: de reistijd, die nodig is om met het gebezigde vervoermiddel de afstand af te leggen langs de kortst mogelijke weg van het centrum van de woonplaats naar het karweiterrein en omgekeerd; deze reistijd wordt bepaald in een redelijke verhouding tot de reistijd volgens het openbare vervoer voor een vergelijkbare afstand.

                    b. Wanneer de werknemer in verband met zijn werkzaamheden buiten zijn woonplaats moet overnachten, wordt zijn extra reistijd volledig vergoed.

                    c. Eveneens volledige vergoeding van zijn extra reistijd ontvangt de werknemer wiens tewerkstelling op één karwei niet langer dan één dag duurt.

                    d. Duurt zijn tewerkstelling op één karwei langer dan 1 dag en reist de werknemer dagelijks heen en weer, dan wordt een extra reistijd van twee uren of minder buiten zijn normale werkdag volledig vergoed. Reist hij langer, dan worden ten minste twee uren vergoed.

                    3. Reistijd binnen de normale werkdag wordt als gewerkte tijd beschouwd en komt niet voor een bijzondere reistijdvergoeding in aanmerking. Komt de reistijd wel voor vergoeding in aanmerking dan wordt deze bij de normale wekelijkse arbeidsduur als volgt betaald:

                    - uren niet op zon- en feestdagen: 0,48% van de maandverdienste*) (bij een uurverdienste van 0,58% van de maand- verdienste: 82,8% van de uurverdienste);

                    - uren op zondag: 0,96% van de maandverdienste*) (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 165,5% van de uurverdienste);

                    - uren op een in artikel 1.1 lid 7 genoemde feestdag: 1,43% van de maandverdienste*) (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 246,6% van de uurverdienste).

                    *) Voor de toeslagen bij een periode- en weekbetaling zie bijlage H.

                    4. De werknemer die langer dan een week buiten zijn vaste woonplaats moet overnachten wordt elke week in de gelegen- heid gesteld na afloop van de voor het betreffende karwei vastgelegde wekelijkse werktijd naar huis te reizen. Indien echter de werkzaamheden zulks vorderen, dan wel de reisverbindingen daartoe aanleiding geven, kan de werk- gever na overleg hiervan afwijken. Indien volgens dienstrooster op zaterdag wordt gewerkt, heeft het vertrek van het karweiterrein naar de woonplaats eenmaal in de veertien dagen zó tijdig plaats, dat de werknemer die zaterdag om- streeks 15.00 uur thuis kan zijn. In dat geval behoeft op de maandag daaropvolgend het vertrek van het centrum van de woonplaats naar het karweiterrein niet eerder aan te vangen dan omstreeks 06.00 uur des morgens. Indien bijzondere omstandigheden naar zijn oordeel zulks nodig maken kan de werkgever binnen de periode tussen 15 oktober en 1 maart daaropvolgend zijn werknemers op een karwei 6 dagen per week laten werken zonder dat daarvoor het overleg genoemd in artikel 3.4 nodig is. 

                    Toelichting:

                    1. Partijen bedoelen in lid 1 van dit artikel tot uitdrukking te brengen dat elke werknemer een zekere tijd nodig heeft om op zijn werk te komen en dat alleen voor vergoeding in aanmerking komt die reistijd welke uitgaat boven de normale reistijd van betrokkene of van vergelijkbare werknemers in de onderneming.

                    2. Onder karweiwerkzaamheden worden o.m. verstaan werkzaamheden die bestaan uit het vervaardigen, het installeren of het onder- houd van producten of installaties, alsmede het voor deze werkzaamheden noodzakelijke toezicht, ontwerp en constructie, die door hun aard ter plaatse van het karwei moeten worden verricht.

                    3. Bestaande ondernemingsgewijze regelingen, die ten minste gelijkwaardig zijn aan het bepaalde in dit artikel, behoeven niet met een beroep op dit artikel te worden gewijzigd.

                    Hoofdstuk 9 - Diverse bepalingen

                    Artikel 9.1 – Uitzendbureaus

                    De werkgever is verplicht voor in Nederland te verrichten werkzaamheden gebruik te maken van een uitzendbureau dat NEN-gecertificeerd is. Met ingang van 1 januari 2012 dient het uitzendbureau tevens te zijn opgenomen in het register van de Stichting Normering Arbeid. 

                    Hoofdstuk 10 - Slotbepalingen

                    Artikel 10.1 – Aansprakelijkheid

                    1. De contracterende partijen staan er, onderling en elk voor zich tegenover elk der andere partijen, voor in dat zij deze overeenkomst getrouwelijk zullen nakomen.

                    2. Elk der contracterende partijen is bovendien aansprakelijk voor de gedragingen van haar leden, waardoor in- breuk wordt gemaakt op de bepalingen van deze overeenkomst, tenzij deze gedragingen buiten haar voorken- nis of toedoen dan wel in strijd met haar besluiten hebben plaatsgehad.